Koornmolen De Hesch
Informatie » Afbeeldingen
Op de grens van Arnhem en Oosterbeek lag het landgoed Mariëndaal, dat doorsneden werd door allerlei beken. In 1359 was er al sprake van een buurschap Clingelbeek. Het woord ‘cling’ betekent in het Middelnederlands ‘hoogte, heuvel’. In de Clingelbeek kwam de Slijp- of Sliepbeek uit, die zijn oorsprong vond in de hoogten rond Mariëndaal. Rondom de Slijpbeek, de grens tussen Arnhem en Oosterbeek, ontstond in de Middeleeuwen een klein woongebied met enkele boeren en ook een molenaar.

Aan een van die beken werd omstreeks 1392 op verzoek van Wijnand van Arnhem door de Augustijnen het klooster Mariënborn gesticht. De beek diende voor het aandrijven van een korenmo­len, oliemolen, slijpmolen en volmolen. Heel bekend is de waterkorenmolen De Hes in de buurschap Clingelbeek, die al in de 15e eeuw tot de bezittingen van het klooster Mariëndaal behoorde.

Met de stichting van een kapittel van kanunniken op Mariëndaal had hertog Karel zich danig in de schulden gestoken. Eén van de schuldeisers was Arent Kelrewaeter, die van de inmiddels verlaten gebouwen in 1543 op eigen gezag ‘daervan 600 pannen en 19 schonen plancken uytghelesen guet, ind 8 dubbele ribben om syne betaelinghe van den Cruytmoelen te bekomen’ wegnam. Hij had deze molen voor de hertog op Clingelbeek gebouwd.
In 1604 werd aan Hieronymus Hassels toestemming verleend om buiten de stad, ‘edog buiten iemands schade’ een kruitmolen op te richten. Hessels koos hiervoor een locatie aan de Clingelbeek. Het klooster Mariëndaal werd na de secularisatie in 1587 in twee decennia tot op de fundamenten gesloopt.

Molenaars op de korenmolen ‘de Hes’ waren onder andere Cornelisse, Aerdt Jansen, Jan Jacobs en Gerrit Jansen (1723).
‘Jan Jansen, de mulder’ wordt in een akte van de Clingelbeekse schutterij uit 1693 genoemd. In het begin van de 19e eeuw behoorde het waterrecht en de grond van Mariëndaal aan de familie Van Eek. Molenaar op ‘de Hes’ was Jan Gerritsen. In 1816 vermaakte hij bij testament aan zijn zoon Egbert Jan de ‘opstand van een waterkoornmolen en woning onder Oosterbeek en den opstand van schuur en berg onder Arnhem ten noorden van de Oosterbeeksche weg bij de beek (...), de molen met deszelfs buiten- en binnenwerk en vaste gereedschappen’.

In 1832 was er op Mariëndaal nog maar één watermolen (de Hes) in bedrijf, die eigendom was van Egbert Jan Gerritsen met recht van opstal op gronden van Jacob Nicolaas van Eek. De molen kwam nadien in handen van Egbert Jan Gerritsen junior (*1831), die de molen tot aan zijn overlijden in 1874 exploiteerde. In 1861 blijk de grond waarop de watermolen staat in handen te zijn van mr. Johan Brantsen. Ze ging over op zijn schoonzoon mr. Willem Engelen en verder op diens schoonzoon mr. J.N. van Eek, burgemeester van Arnhem.


1811~1860 - Waterkorenmolen De Hes, gezien vanuit het zuidoosten, aan de uitloop van het dal tussen de hoogten van Den Brink, Mariëndaal en Rosande, met bijschrift [Bron: Gelders Archief, 1551 - 3788]

De waterkorenmolen annex herberg de Hes, zo genoemd naar de vele langs trekkende Hessenkarren (kooplieden uit Hessen). Het huis de Hes was in de 17e eeuw althans bekend als “het huys van Hesaen Clingenbeek”. De watermolen werd aangedreven door de zogenaamde Sliepbeek, welke van Mariendaal -tot welk landgoed het huis jarenlang behoorde-, langs de Hesweg naar de Klingelbeek stroomde. De beek vormt -ook nu nog- de grens tussen de gemeenten Renkum en Arnhem.

Omstreeks 1874 was er tevens een uitspanning aan de molen verbonden, die achtereenvolgens werd geëxploiteerd door A. Aalbers (1875-1886), H. Aalbers (1287-1890), W. Hendriks (1890-1891), G. Hendriks (1892-1894) en E.H. van Kraaikamp (1895-1902). De laatste molenaar/café­houder was GJ. Brinkman, die het tot 1917 uithield. In die tijd werden de molenstenen aangedreven door een petro­leummotor. Er is sprake van dat Brinkman de molen in 1906 heeft gesloopt en vervangen door een huis. Andere bronnen maken melding dat pas na het vertrek van Brinkman in 1917 het molenrad alsmede het binnenwerk, dat toen al niet meer in beste staat verkeerde, werd gesloopt. Het pand werd zodanig verbouwd dat de beek midden door het huis kwam te lopen. Dit pand aan de Klingelbeek werd in 1918 door August Cremers omgebouwd tot een textielwasserij en -ververij.

Van het pand dat na de oorlogshandelingen in 1944 werd herbouwd, was het laagste gedeelte nog een over­blijfsel van het oude molenhuis, waarvan de binnenmu­ren overeind waren gebleven. Een halve molensteen in de vloer van de verfruimte herinnerde nog aan de oude watermolen.

[Bron: Arnhemse molens en hun geschiedenis, G. B. Janssen – 1999 Stichting Vrienden van de Gelderse Molen, p/a Stichting Matrijs, Utrecht]