Arnhemsche Oudheden

Hulkestein

Mariëndaal,
Historische bijzonderheden

Het stenen kruis

Hulkesteyn en Klingelbeek

Over Klingelbeek

Vogelschieten

Een wandeling in de 18de eeuw

De landgoederen Mariëndaal en
den Brink
(Historische schetsen)

Historische Schetsen door ALB. O. XII De landgoederen Mariëndaal en de Brink
Na de opheffing, omstreeks 1580, van het klooster Mariëndaal, waarover ik in schets X enkele mededeelingen deed, werden de kloostergoederen verpacht. In 1620 werd Brant Roelofsen pachter van de landerijen van Mariëndaal voor ƒ 550.— per jaar. Na het overlijden van Roelofsen verzocht zijne weduwe in 1636 aan Gedeputeerde Staten van het Veluwsch Kwartier het gebruik van „de bouwinge" van Mariëndaal te vergunnen aan haar schoonzoon Steven Henrixen. Dit verzoek werd toegestaan en de pachtsom bepaald op ƒ600.— per jaar.

En toen 6 jaren later ook de nieuwe pachter overleden was en diens weduwe hertrouwde met Gerrit Brantsen, trad deze als pachter op. Bij de verj werd. nu de voorwaarde gesteld, dat twee scharen weiland beschikbaar moest stellen voor den piedikant te Oosterbeek.
Tot 1735 werd Mariëndaal aan verschillende personen verpacht. Het landgoed was zeer wildrijk; zoo rijk zelfs, dat de pachter groote schade aan zijn gewassen ondervond, wat in 1690 aanleiding, gaf tot aanmerkelijke verlaging van de pachtsom.

Op 30 October 1735 kwam Mariëndaal door aankoop in het bezit van Johan Brantsen, ontvanger-generaal van de Veluwe, en vrouwe Mester Henriëtte de Kree, die er een heerenhuis lieten bouwen. Na hun overlijden erfde Mr. Willem Engelen, die gehuwd was met hunne dochter Nanda Johanna, in 1778, het erf Groot-Mariëndaal. Het goed ging in 1791 bij vererving over op Mr. Jacob Nicolaas van Eek, oud-burgemeester van Arnhem en ontvanger-generaal van de Veluwe, en vrouwe Hester Henriëtte Engelen.

De heer van Eek heeft den aanleg van Mariërrdaal aanmerkelijk doen verbeteren en het heerenhuis, dat gesticht is op de grondslagen van riet voormalige klooster, doen vergrooten. Hij liet lanen en kronkelpaden aanleggen, boomen rooien en poten, en heeft het geheel gemaakt tot een waren lusthof, waar ook thans nog omwonenden en vreemdelingen gaarne eenigen tijd vertoeven. Het goed is tot heden in liet bezit gebleven van de familie Van Eek.

Reeds vrij spoedig na de opheffing van het klooster is dat deel der gronden, at tegenwoordig wordt ingenomen door 't landgoed den Brink, afzonderlijk verpacht. Het strekte zich toen uit tot de Klingelbeek. Tevens behoorde daarbij de Smachtkamp te Rosande. Het afgescheiden gedeelte noemde men toen Kiein-Mariëndaal ter onderscheiding van het erf Groot-Mariëndaal of het Cloosterenerf, het terrein van het voormalige kloostergebouw met zijne omgeving. In het begin van de 17de eeuw was KleinMariëndaal in pacht bij Johan Buddingh, burgemeester van Arnhem, voor ƒ.40.— per jaar. Deze liet er een heerenhuis bouwen. De buitenplaats de Brink heeft dus thans ongeveer drie eeuwen bestaan.
Toen burgemeester Buddingh er woonde, stonden er weinig boomen op het goed. Bij de vernieuwing van de pacht in 1620 werd den pachter de verplichting opgelegd het erf te bepoten met 500 eiken heesters. Een schoonzoon van Johan Buddingh, Johan van Ommeren, volgde hem in 1627 als pachter op. Van Ommeren heeft veel nieuw hout aangeplant en den ouden boomgaard vernieuwd.
Ook zijn opvolger, de stads-secretaris Henrich Verstegen, die sedert 1634 op Klein-Mariëndaal woonde, heeft veel bijgedragen tot verbetering en verfraaiing van het landgoed. Hij kreeg van Gedeputeerde Staten van de Veluwe in pacht de Mariëndaalsche beek van het klooster af tot aan den weg naar de Klingelbeek, met een daaraan grenzend stuk land, om dit tot vijver af te graven en daarop een watermolen in te richten. Vijver en watermolen vinden wij thans nog aanwezig.

Twee jaren later kreeg de secretaris Verstegen van Gedeputeerde Staten toestemming om van den pachter van Groot-Mariëndaal over te nemen een akker land bij den nieuw gemaakten vijver om tot verbetering van Klein-Mariëndaal beplant en als boomgaard bij dit erf gebruikt te worden. Het landgoed was nu vrijwel voltooid. Klein-Mariëndaal kwam in 1694 door koop in het bezit van Henrick Willem van Ruyven, secretaris van Arnhem, en vrouwe Helena Isbrandts.

In hetzelfde jaar kreeg van Ruyver toestemming om den Utrechtschen weg bij Klein-Mariëndaal en verder tot aan het hek van den wildgraaf, dat is ongeveer tot aan den tegenwoordigen Grindweg, aan beide zijden met eiken te bepoten, waarvoor hem het recht van pootstede werd verleend. De fraaie eikenlaan liep recht op het heerenhuis aan en is in lateren tijd, bij den spoorwegaanleg, verlegd.

Bij vererving ging liet landgoed in 1738 over aan professor Weyer Willem Muys, die getrouwd was met Margaretha van Ruyven. Zijne weduwe droeg het goed in 1761 in eigendom over aan A. D. van Spaen en vrouwe E.A.M. van Riebeek. Hun zoon I.T.W. van Spaen, die het goed in 1763 erfde, verkocht het in 1790 aan J.H. Engelen, secretaris van de stad Arnhem. Van de latere eigenaren noemen wij nog den graaf van Bylandt—Halt, staatsraad, vice-admiraal, Mr. J.P. du Quesne van Bruchen en Cillaarshoek, den heer J.T. Vogel en diens weduwe, van wie het bezit overging op den tegenwoordigen eigenaar J.J.A.A. baron van Pallandt.
De Brink prijkt reeds eenigen tijd met het bordje: Te koop en gaat dus een onzekere toekomst tegemoet. Dit gaf mij aanleiding om het een en ander over dit landgoed mede te deelen.

[Bron: Historische Schetsen door ALB. O. XII De landgoederen Mariëndaal en den Brink, Arnhemsche courant. Arnhem, 1923/10/06 00:00:00]