|
Mariëndaal, De landgoederen MariĆ«ndaal en de Brink (Historische schetsen) |
MARIENDAAL, HISTORISCHE BIJZONDERHEDEN
De geschiedschrijvers nemen aan, dat nog in de 13e eeuw de Veluwe geheel het karakter van een woest land vertoonde, waar bosch en heide overwogen en de ontginningen nog zeldzaam waren. De beoefening van de schapenteelt om gronden vruchtbaar te maken sloot nieuwen aanplant vrijwel uit, omdat het schaap nagenoeg alle plantensoorten verslindt. Men heeft zich in dien tijd ook Mariëndaal te denken als grootendeels ongecultiveerd terrein, evenals het aangrenzende Heyenoord. Alleen de lagere gronden langs de beek, die bij den Looberg ontspringt en naar den Rijn afvloeit, kwamen voor de beoefening van landbouw in aanmerking. Op die beek, de Assel of Klingelbeek, stond van oudsher een molen, welke tot Mariëndaal schijnt te hebben behoord. Mariëndaal of Mariënborch, zooals de oudere naam luidt, moet steeds zijn boschvijver hebben gehad en het mystieke ravijn, waardoor het beekje diep verzonken stroomt; dichter en geheimzinniger dan op Warnsborn het geval is naderen elkaar hier de hooge wanden van de kloof.
Nu Mariëndaal van particulier landgoed is geworden landelijk eigendom van Het Geldersch Landschap en de aandacht voor het buitengewoon mooie goed, dat door zijn golvende heuvelglooiingen een uniek karakter heeft, meer algemeen dan tot dusver getrokken zal worden of wel zal opleven, is er aanleiding om op de merkwaardige en zeldzame bodemvorming te wijzen. Het beekje, het ravijn, de steile heuvel, oprijzend uit het dal, zij vormen de oeroude elementen, waarvan de bekleeding van latere eeuwen, de dichte beplantingen, den natuurrijkdom vergrooten en een zeldzame sfeer brachten. Mariëndaal oude karakter.
Tot ver in de 14e eeuw is Mariëndaal en ook Heyenoord het zuiver robust karakter blijven dragen, dat het Veluwsche landschap toen kenmerkte. De eerste dochter van Windesheim.In 1392 werd het klooster Mariëndaal of Mariënborn gesticht; het werd ook "het fonteyne Klooster" genoemd en de Latijnsche naam is: Domus Fontis B. Mariae". Mariëndaal was de eerste dochter van Windesheim. Windesheim was een beroemd klooster.Verhaald wordt, dat Geert Groote, die het Fraterhuis te Deventer stichtte,'op zijn sterfbed zijn leerlingen den raad gaf een klooster te stichten van de orde der Reguliere Kanunniken, "onder welks schaduw alle vrome tortelduiven tegen de aanvallen van haviken en sperwers de meest veilige schuilplaats zouden vinden". Drie jaar na zijn dood werd het klooster Windesheim gewijd (17 October 1387). De Reguliere Kanoniken der Augustijner orde muntten uit door eenvoudige leeifwijze, hard werken en groote mildheid jegens de armen.
In den kring van de vrienden van Geert Groote werd het plan van Wijnand van Arnhem, eigenaar van uitgestrekte bosch- en heidegronden, om zijn bezit voor een klooster te bestemmen, krachtig ondersteund, in het bijzonder door Florens Radewynsz, vicaris der St. Lebuïnuskerk te Deventer, en Johannes Vos van Heusden, prior van Windesheim. Wijnand van Arnhem pleegde over zijn voornemen overleg met den vicaris van de St. Lebuïnuskerk te Deventer. Floris Radewijnsz, die in de stichting van Windesheim een groot aandeel heeft gehad. Met Johannes Vos van Heusden, prior van Windesheim, eenige priesters en broeders van dit klooster, verzocht de vicaris Hertog Willem van Gulik vergunning voor de vestiging van het klooster. Deze werd verkregen en ook de Bisschop van Utrecht, Floris van Wevelincklioven, verleende toestemming. Als medestichter van het klooster wordt naast Wynand van Arnhem ook Arnold van Gruythuizen, eveneens een aanzienlijk Arnhemmer, genoemd. De kok van het Deventer fraterhuis.
Men vindt opgeteskend, dat de kok van het Deventer fraterhuls, Johannes Kessel, bij de stichting van Mariëndaal een aanzienlijke som, 1300 guiden, voor dit doel bijdroeg. Kessel was, voordat hij kloosterling werd, koopman geweest in Doesburg. Florens Radewijnsz had zijn talent voor de keuken ontdekt en hem tot kok in het fraterhuis aangesteld. Het klooster Mariëndaal. Bouwheeren van het klooster Mariëndaal waren Hendrik Wilde uit Den Bosch en Hendrik Wilsen uit Kampen. De eerste rector van het klooster was Johannes van Kempen, broeder van Thomas à Kempis. Het klooster werd gebouwd op de plaats, waar nu het groote landhuis staat. In den loop der tijden zijn de kloostergronden uitgebreid. Zoo verkreeg het in de 15e eeuw een gedeelte van 't landgoed Loopen, dat voor een ander deel bij Heyenoord werd gevoegd. Dit landgoed schijnt een onverdeeld stuk te zijn geweest van de Loopener mark, tot welker verdeeling in 1359 door Hertog Reinoud toestemming was verleend. Het is mogelijk, dat ook Hulkenstein tot de mark behoorde. "Met meer zekerheid is dat te zeggen van het landgoed De Klingelbeek, dat vroeger De Looberg heette, en van het landgoed Den Brink, dat na de opheffing van het klooster is gesticht.
De Konijnenwarande. Volgens een schepenacte van 13 Juni 1559 hadden Jacob van Tuyll en Willem van Eyl Rosande in pacht gehad en 10 jaar na den dood van Hertog Karei van Gelder (1538) de Konijnenwarande van Oosterbeek tot Dreyen en van Dreyen tot Mariëndaal en van daar tot den Rijn bejaagd. De Konijnenwarande strekte zich niet uit over Mariendaal, dat als kloostergoed buiten alle jachtveld lag, maar zij liep wel van de kloostergronden over Heyenoord tot den Rijn door. Als stichter van Heyenoord wordt genoemd Peter Heyen, diet een naar hem genoemde kapel bouwde, welke in een schepenacte van 1485 wordt vermeld. Zij moet gestaan hebben op een terrein ten Zuiden van den Amsterdamschen weg, waar nu de Veluwestraat is. Peter Heyen woonde in 1474 in de Oeverstraat en bezat toen ook een tuin buiten de stad achter St. Walburg. ![]() Mariëndaal als klooster. Reeds in 1395 behoorde het convent Mariëndaal tot het generaal-kapittel van Windiesheim, evenals de kloosters Nleuwlicht bij Hoorn en Eemsteyn bij Almelo. Evenals in de andere kloosters van de Kloostervereeniging van Windesheim deden de kloosterlingen overeenkomstig de voorschriften van de orde der Reguliere Kanoniken de gelofte van kuischheid, armoede en gehoorzaamheid. Zij waren vrij ten aanzien van het maaksel van hun kleedij. Zoo zag men hen dus in gewaden met of zonder plooien, met korte of lange mouwen. Alleen was voorgeschreven een wit linnen kleed en zwarte regenkap. Tusschen Mariëndaal en het Hof van Gelderland bestonden vriendschappelijke betrekkingen. Tot drie malen toe schonk Hertog Arnold aan het klooster de novale tienden te Ede (de tienden van gewassen, op pas ontgonnen gronden verbouwd). Ook van de zijde van het klooster werden bewijzen van een goede verstandhouding gegeven. In 1492 schonk de prior aan Hertog Karei van Gelre 200 keurvorstelijke Rijnsche guldens, waarvoor een rentebrief van 12 guldens 's jaars werd ontvangen. Hertog Karei ontving later nog geld van Mariëndaal voor een reis naar het Overkwartier.
In 1519 kreeg de Hertog de beschikking over wagens van het klooster bij gelegenheid van zijn huwelijk met Elisabeth van Lunenburgh om een groote hoeveelheid proviand naar Doesburg te brengen. De kloosterbroeders van Mariëndaal waren ijverige beoefenaren der wetenschap, maar bovendien wijdden zij zich aan den akkerbouw. Zij stonden bekend als gastvrij en liefdadig. In de geschiedenis zijn voort blijven leven de namen van Johannes van Kempen, den eersten rector, van de priors Arnold Kalker en Hendrik Walvis (in de jaren tusschen 1395 en 1413), van broeder Thomas van de Wal, die in 1430 het klooster verliet in verband met zijn benoeming tot prior van het convent "'s Heeren lichaam" te Keulen, van Willem van Amsterdam, die in Praag in de medicijnen had gestudeerd, den doctorsbul had verkregen en daarna in Mariëndaal als kloosterbroeder toefde. In het laatst van de 16e eeuw heeft Mariëndaal het lot gedeeld van alle andere kloosters te Arnhem: in 1580 geseculariseerd, werd in 1587 het klooster gesloopt. De steenen werden ten deele gebruikt voor het herstel van de stadsmuren. Enkele fragmenten van grafzerken uit de kloosterkerk, op het landgoed achtergebleven, zijn het eenige wat nog aan het klooster herinnert. [Bron Illustraties: Gelders Archief] |