|
Mariëndaal, Over Klingelbeek De landgoederen Mariëndaal en de Brink (Historische schetsen) |
Arnhemsche Oudheden door A. J. C. KREMER. XV
Wij hebben gezien dat hertog Reinald en zijn broeder Eduard in 1359 van de Lopenre marke en het Wiggere maalschap eene heerlijkheid maakten. Deze heeft niet lang bestaan. Den 28 Mei 1361 (Nijhoff-Oork. no. 106) huldigde de stad Arnhem, nadat zij door hertog Reinald van den aan hem gezworen eed ontslagen was, diens broeder Eduard als haar heer. Op dien zelfden dag (no. 107 en 108) bevestigde Eduard. die stad in hare vrijheden (privilegiën)rechtenen gewoonten (costumen, onbeschreven rechten) en inzettingen. Den 13 December 1362, verleende Eduard aan de burgers van Arnhem het privilegie, dat zij voor misdaden en schulden in de Betuwe, niet anders in rechten zouden mogen betrokken worden dan voor hunne eigene rechten in de stad (no. 122), op dien dag ook het heffen van eene belasting op zaad en haver welke in de stad zouden gemeten worden en 11 April 1364 (no. 132) vergunde hertog Eduard aan Schepenen der stad het Broek, dat tot dien tijd gemeente geweest was, ten behoeve van de burgers te verdeelen. Bij de verdeeling ontvingen de ingezetenen, "die van Lopen modo de Klingelbeek", 10 morgen in het broek. Klingelbeek behoorde derhalve toen het schependom, en de ingezetenen bezaten het Arnhemsche burgerrecht. Tusschen 1359 en 1364 moet derhalve de annexatie van de heerlijkheid Klingelbeek, vroeger Lopenre mark en Wiggere maalschap, hebben plaats gehad; de desbetreffende oorkonde is nog niet gevonden, maar zij moet uiterlijk in 1362 zijn opgesteld, omdat het de gewoonte van Eduard schijnt geweest te zijn, ieder jaar de stad door eene begunstiging te verplichten. De lijst der verdeel.ng van het broek is een der belangrijkste bijdragen tot de kennis van de ontwikkeling der gemeente Arnhem. Het blijkt, dat behalve aan de ingezetenen van Klingelbeek ook nog andere burgers niet in de stad woonden, derhalve geen poorters waren. Zoo ontvingen die van Monnikhuizerbeek 13 morgen 3 hont. Dit moet dus een belangrijke buurt geweest zijn. De ingezetenen van de Enck 12 morgen broek en 5½ morgen bosch. De burgers, landeigenaren aan 't Broek en St. Antonie, 10 morgen, 1 hont broek. Aan de huizen der stad werd gegeven 219 morgen, 3 hont broek en 24½ morgen bosch. In het geheel werden alzoo verdeeld 365 morgen hont broek en 40 morgen bosch. Van Hasselt heeft in zijn A. Oudheden (D. III h. LXXVII) een hoofdstuk geleverd over de stads-vrijheid d.i. het Schependom van Arnhem, maar hij verklaart zelf (Deel III, bl, 149) niet op de hoogte daarvan geweest te zijn. Ik ben het ook niet, maar toch een schrede nader gekomen en weet den weg om tot tamelijk volledige kennis te geraken ; maar deze is te lang voor mij om te bewandelen. Om te weten wat in 1364 tot de vrijheid van Arnhem behoorde, zal men in de Schepenacten en protocollen moeten opzoeken, aan welke huizen buiten de stad een of meer scharen weide in het broek, volgens transportbrieven, verbonden waren; dan zal men kunnen bepalen wat b.v. tot Munnikhuizerbeek, den Eng enz. behoorde. Wat de Klingelbeek betreft weten we iets meer. De hertog had voor zich behouden de novale tienden van de Lopenre mark en het Wiggere maalschap, en nu vinden we later een Klingelbeeksche tiend vermeld, waarin ongetwijfeld dezelfde tiend begrepen was. Volgens eene opmeting van den landmeter Geelkerken, geteekend 25 April 1632 (in de Protocollen) was de parochie Arnhem toen verdeeld in twaalf tienden, van welke hij de namen en de grootte opgeeft. De Klingelbeeksche tiend liep over 121 morgen, 360 roeden en grensde oostelijk aan den Buidel, die zich, westelijk aan de stad grenzende, uitstrekte van den Rijn tot den Utrechtschen weg, waar dit blok grensde aan ter Hoevens Enck; van den Utrechtschen weg tot den Molenbeek, thans St. Jansbeek.
Bij vergelijking met een in het midden der 16e eeuw geteekende kaart van het Schependom van Arnhem (Openb. Bibl.) blijkt, dat de Utrechtsche weg van toen, thans is de Amsterdamsche weg; de tegenwoordige Utrechtsche weg bestond toen nog niet. Tot den ouden weg zal ook de Klingelbeek ten noorden zich hebben uitgestrekt, van den Rijn in het zuiden. De grens tusschen Klingelbeek en den Buidel, zal geweest zijn de Zwarte weg, tusschen Diependaal en Klim-en-daal door, naar den zooeven vermelden Utrechtschen, nu Amsterdamschen weg. In het jaar 1215 had Otto, bisschop van Utrecht, aan zijn broeder Gerard, graaf van Gelre en Zutphen, de Veluwsche tienden, die vroeger aan de Kerk van Utrecht behoorden, geschonken met de novale tienden welke zouden kunnen geheven worden, als woeste gronden in cultuur werden gebracht. De Veluwsche tienden zijn alzoo niet ontstaan door grond- of landsheerlijk recht (zooals Schrassert beweerde), maar krachtens de bepaling van Karei de Groote, dat aan de kerken tienden zouden betaald worden. Bisschop Otto heeft echter, evenals velen zijner ambtgenooten, over de tienden der Veluwe beschikt, even alsof daarop geene verplichtingen rustten. De tienden der oude bebouwde gronden in Klingelbeek hebben oorspronkelijk behoord aan de parochiekerk te Arnhem en zijn met deze overgegaan op de Abdij van Prumen die, naar het schijnt, door schenking van een der Geldersche vorsten, ook in het bezit der novale gekomen is. Ik vind immers geen twee tienden in Klingelbeek vermeld, maar eene tiend welke genoemd wordt als leenroerig aan Klarenbeek, zoodat zij wel, tegelijk met de andere bezittingen van Prumen te Arnhem, aan graaf Ernst Casimir van Nassau verkocht was. Ik heb zooeven gezegd, dat de Amsterdamsche weg vroeger de Utrechtsche weg heette en dat is ook zoo, maar de weg die thans zoo heet is reeds zeer oud; 't was de weg naar Oosterbeek-boven, die behoudens eenige plaatselijke verandering, ongeveer daar lag, waar thans de Utrechtsche weg liep van Arnhem langs Mariënborn, nu Mariëndaal. Tot in het vorige jaar was die weg aan den linkerkant nog bouwland, van den weg tegenover den Tol tot Hoogstede, dat in de vorige eeuw gebouwd is. Langs die buitenplaats bestond de laan naar het buiten Klingelbeek, van 't welk ik in het vorige artikel gesproken heb. Aan het begin van die laan siaat, thans in een tuin, een steenen kruis, van hetwelk het opschrift nog niet is ontcijferd. Ik zelf heb er ook tevergeefs pogingen toe gedaan. Men zegt dat daar in het jaar 1570 een meisje door soldaten vermoord is. Dat jaar is er nog duidelijk zichtbaar, maar het feit heb ik neigens vermeld gevonden, wel, dat omstreeks dien tijd, de heer van Meinerswijk in moeilijkheden geraakte, omdat hij aan een paar personen, die bij de Klingelbeek een moord hadden begaan, in zijne heerlijkheid een veilig verblijf had verleend, zooals die heeren wel meer aan boosdoeners deden. Op dien weg werd in oude tijden nog al veel onbehoorlijks bedreven. Maar waar niet? Op de straten en in de stad mogelijk iets minder dan op de wegen buiten de poorten: diefstal, doodslag en moord waren ten tijde van hertog Karel bijzonder talrijk. Uit: "MENGELWERK. Arnhemsche Oudheden DOOR A. J. C. KREMER. XV. Arnhemsche courant. Regionaal/lokaal, 07-02-1906. |